Hoe merk ik het?
- Steeds kleiner wordend gezichtsveld
- Flitsen in het oog
Hoe werkt het?
Het netvlies ligt aan de binnenzijde van het oog tegen de achterpool. Het is de plaats waar licht wordt omgezet in elektrische impulsen die via de oogzenuw naar de hersenen gaan. Het netvlies bevat zelf geen bloedvaten, maar ligt op een sterk doorbloede onderlaag. Onder bepaalde omstandigheden kan die onderlaag loslaten. Het niet meer gevoede deel van het netvlies functioneert dan niet meer. Het netvlies kan steeds verder loslaten, waardoor het gezichtsveld steeds kleiner wordt. Laat ook de gele vlek los van de onderlaag, dan leidt dat tot blindheid aan dat oog. Een netvliesloslating veroorzaakt flitsen in het aangedane oog. Dat komt door irritatie van de loslatende zenuwvezels. Vaak gaat een netvliesloslating gepaard met een bloedinkje. De bloedcellen veroorzaken troebelingen in het gezichtsveld. Breidt de loslating zich uit, dan gaat een deel van het blikveld ontbreken. Er lijkt een soort gordijn voor te hangen.
Hoe ontstaat het?
- Op jongere leeftijd kan netvliesloslating ontstaan bij mensen die sterk bijziend zijn. Er staat daardoor extra spanning op het netvlies waardoor het makkelijker loslaat.
- Een netvliesloslating op oudere leeftijd is meestal gevolg van vermindering van de kwaliteit van de weefsels door veroudering, waardoor de hechting aan de onderlaag minder wordt.
- Door veroudering kan een glasvochtloslating ontstaan. Als gevolg daarvan kunnen scheurtjes in het netvlies ontstaan, die kunnen uitgroeien tot een netvliesloslating.
- Ook een ongeval met hoofdletsel kan leiden tot een netvliesloslating.
Hoe ga ik er zelf mee om?
U kunt zelf niet veel doen.
Hoe gaat de arts er mee om?
Krijgt u last van lichtflitsen en troebelingen in het oog, raadpleeg dan uw arts. Als er sprake is van kleine troebelingen, dan kan het gaan om een glasvochtloslating. Dit is een verschijnsel dat hoort bij het ouder worden. Is er sprake van grotere troebelingen of is een deel van het gezichtsveld aangetast, dan is een netvliesloslating waarschijnlijker. Dit is een bedreigende situatie, omdat het kan leiden tot blindheid van het aangedane oog. De oogarts zal met een speciale lens de binnenkant van het oog bekijken, nadat hij de pupil met een druppel heeft wijd gemaakt. Hij kan zo zien of er sprake is van een glasvochtloslating, een scheurtje in het netvlies of een netvliesloslating. Is er sprake van een scheurtje of een loslating, dan moet er behandeld worden. Een klein scheurtje wordt vaak behandeld met laserstralen. Gaat het om een netvliesloslating dan zal men proberen het netvlies weer met de onderlaag te laten vergroeien. Men doet dat door extra druk uit te oefenen op de plaats die loslaat, van buitenaf of van binnenuit. Van buitenaf gebeurt dat met een bandje (cerclage) dat om het oog gesnoerd wordt. Het kan ook operatief van binnenuit (vitrectomie). Daarbij wordt door het inbrengen van gas of van siliconen extra druk aangebracht op de loslatende plaats. Dergelijke ingrepen worden alleen verricht in gespecialiseerde centra. Het resultaat van de ingreep is grotendeels afhankelijk van de uitgebreidheid van de loslating. Als het netvlies grotendeels heeft losgelaten kan men het licht in het aangedane oog blijvend verliezen. Is er echter sprake van een kleine randloslating dan heeft men na de ingreep weer een volledige gezichtsscherpte. Alle maten van verlies aan gezichtsscherpte tussen deze uitersten zijn mogelijk.
Wetenschappelijk nieuws
Het aantal patiënten met een netvliesloslating zal de komende jaren groeien. Dat verwacht UMCG-onderzoeker Mathijs van de Put op basis van twee Nederlandse pilot studies. Een netvliesloslating treedt inmiddels twee keer zo vaak op als in eerdere studies werd geconcludeerd, bij 1 op de 5.000 Nederlanders. Een netvliesloslating blijkt verder het meest voor te komen bij mensen tussen de 65-69 jaar, en vaker bij mannen dan bij vrouwen. Nu het aantal 55-plussers toeneemt, zal het aantal patiënten met een netvliesloslating ook verder stijgen. Het netvlies is de binnenbekleding van het oog. Het oog is gevuld met glasvocht, een doorzichtige gel, die het grootste deel van het oog opvult. Wanneer iemand ouder wordt, kan deze gel vervloeien en tijdens dit proces kunnen er scheurtjes in het netvlies ontstaan. Hierdoor kan het vervloeide glasvocht achter het netvlies terecht komen en op die manier een netvliesloslating veroorzaken. Om schade aan het netvlies en daardoor slechtziendheid of blindheid te voorkomen, is het belangrijk om een netvliesloslating te behandelen. Van de Put concludeert dat het in meer dan 95% van de gevallen lukt om met één of meer operaties het netvlies weer aanliggend te krijgen. Wel is het zicht van patiënten na de operatie vaak minder goed dan voor de netvliesloslating. Dit is met name het geval wanneer de gele vlek, het gebied dat betrokken is voor scherp zien, betrokken was bij de loslating. Dit blijkt in ongeveer de helft van de gevallen te gebeuren. Tot slot stelde de promovendus vast dat naast het langer bestaan van de netvliesloslating ook de hoeveelheid vocht onder het netvlies ter hoogte van de gele vlek een factor van belang is voor het postoperatieve herstel. Hoe minder vocht en hoe korter de netvliesloslating bestaat, hoe beter de mogelijkheden zijn voor herstel. Mathijs van de Put (1981) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Leiden. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij het W.J. Kolff Instituut van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd door de Professor Mulder Stichting, Stichting Blindenhulp en de Stichting Nederlands Oogheelkundig Onderzoek.
Een klacht tegen een oogarts van het Catharina-ziekenhuis in Eindhoven is afgewezen. De arts zou bij een patiënt met een voortschrijdende netvliesloslating, niet hebben gezorgd voor spoedbehandeling. de arts verwees door naar vitrectomie-deskundige met de aantekening "niet spoedeisend, doch wel urgent. Het tuchtcollege vindt dat de diagnose van de oogarts zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat de doorverwijzing naar de collega correct was. De termijn van acht dagen was conform de geldende medische standaard.
In samenhang met de toenemende levensverwachting van de bevolking stijgt het vóórkomen van veel leeftijdsgerelateerde ziekten. De vervelende complicaties die gepaard gaan met deze ziekten hebben een grote invloed op het dagelijks leven van patiënten. Om deze invloed te verkleinen is het niet alleen belangrijk om de ziekte goed te behandelen, maar ook om de ziekte in een vroeg stadium te ontdekken. Dit is vooral van belang bij ziekten die het oog betreffen, omdat de cellen van het oog weinig tot geen herstellend vermogen bezitten. Klinische parameters (bijvoorbeeld leeftijd en leefstijlfactoren) kunnen helpen om patiënten te identificeren met een verhoogd risico op ziekten en complicaties, maar deze identificeren lang niet alle patiënten en zijn vaak niet specifiek voor de ziekte. Dit benadrukt de behoefte aan biomarkers die gebruikt kunnen worden (in combinatie met klinische parameters) om patiënten te identificeren met een verhoogd risico op specifieke ziekten en complicaties. Dit proefschrift beschrijft de rol van een opkomende groep van biomarkers, genaamd ‘advanced glycation endproducts’ (AGEs), bij diabetes mellitus (suikerziekte) en bij netvliesloslating. AGEs ontstaan gedurende chemische reacties waarbij versuikering en oxidatie optreedt van vrije aminogroepen van eiwitten, vetten en nucleïnezuren. Het is aangetoond dat een verhoogde stapeling van AGEs plaatsvindt in de weefsels van diabetes patiënten en in verschillende celstructuren van het oog bij verscheidene oogziekten. AGEs kunnen niet-invasief gemeten worden met behulp van de fluorescerende eigenschappen van verschillende AGEs. Deze techniek, ook wel ‘skin autofluorescence’ (SAF) genoemd, wordt gebruikt om de stapeling van AGEs in de huid te meten.
Bron: RUG
Netvliesloslating is een ziekte die het gezichtsvermogen kan aantasten en waarbij behandeling dus noodzakelijk is. Hoewel veel mensen denken dat flitsen een voorspellende factor zijn, zien we dit maar bij 37% van de mensen. Omdat patiënten denken dat de symptomen vanzelf wel overgaan, komt 50% van de patiënten later op controle en wordt dus later behandeld. En hoe langer je wacht, hoe slechter de resultaten achteraf. Voor de behandeling van een netvliesloslating zijn twee operatietechnieken mogelijk. De behandeling waarvoor gekozen wordt, is afhankelijk van de aard van de netvliesloslating en van factoren (o.a. littekenweefsel) die we vinden bij het oogheelkundige onderzoek.
Proliferatieve vitreoretinopathie (PVR), dat gekenmerkt wordt door de vorming van littekenweefsel op en onder het netvlies, is de belangrijkste reden voor het falen van chirurgie voor netvliesloslating (rhegmatogene ablatio retinae). Het herstel van het gezichtsvermogen is daardoor vaak zeer gering, zelfs na een succesvolle oogoperatie. Dit promotieonderzoek laat zien dat al in een zeer vroege fase van PVR – nog voordat het littekenweefsel gevormd is – allerlei eiwitten verhoogd aanwezig zijn in oogvochten van patiënten met een netvliesloslating. Hierdoor hebben we meer inzicht in de vroege ontstaansmechanismen van dit ziektebeeld en kunnen we voorspellen welke patiënten PVR gaan ontwikkelen. Bovendien is een medicamenteuze behandeling ter voorkóming van het littekenweefsel dichterbij gekomen. Proefschrift: drs. Lukas J.A.G. Ricker, “New Developments in the Field of Retinal Detachment”